De gouverneur van Libanon – Saalih ibn ‘Alie – verdreef een heel dorp van niet-moslims omdat een groep van hen weigerde de grondbelasting te betalen.
    Deze gouverneur was één van de nabije verwanten van de kalief.

    Daarop schreef Imam al-Awzaa’ie hem een lange protestbrief, met daarin onder andere het volgende:

    ‘Hoe kan een hele groep verweten worden voor de zonden van enkelen van hen, zozeer dat zij uit hun huizen en bezittingen worden verdreven?
    Het oordeel van Allah (Verheven is Hij) is echter als volgt:

    ‘Dat geen lastdrager de last zal dragen van een ander.’
    [Koran 53:38]

    Dit oordeel heeft het meeste recht om aan vastgehouden en opgevolgd te worden.

    Het gebod dat bovendien het meeste recht heeft om bewaard en in acht genomen te worden, is het gebod van de Boodschapper van Allah ﷺ.
    Hij ﷺ heeft het volgende gezegd:

    ‘Degene die een niet-moslim onrecht aandoet en boven zijn vermogen belast: ik zal zijn aanklager zijn (op de Dag der Opstanding).’
    (Foetoeh al-Boeldaan van Imam al-Balaadhoerie: 1/192)

    Verder zei de Imam:

    ‘Zij zijn geen slaven, waardoor het voor jou mogelijk zou zijn om hen van het ene land naar het andere te verplaatsen.
    Zij zijn echter vrije mensen, de Mensen van het Verdrag.’

    Bron: Kitaab al-Amwaal van Imam Aboe ‘Oebayd al-Qaasim ibn Sallaam, blz. 263-264

    © Vertaald vanuit het Arabisch door www.StichtingIslamIsMooi.nl